Classisverslag West - 19-05-2026
Op 19 mei 2026 kwam de classis-in-opbouw West samen in het kerkgebouw van de roepende kerk van ’s-Gravenhage-Scheveningen. De vergadering werd geopend door de voorzitter van de roepende kerk, ds. W.L. van der Staaij. In zijn openingswoord sprak hij over de ‘dubbele gevoelens’ waarmee we bijeen waren. We misten immers uit het ressort een heel aantal broeders. Vanuit Mattheüs 24:1-14 benadrukte hij dat de Kerk leeft in de tijd tussen Pinksteren en Christus’ wederkomst: een tijd waarin volharding in geloof, gebed en gemeenschap noodzakelijk is, maar ook onder druk staat. Daarbij wees hij op signalen van geestelijke verflauwing, onder andere het afnemende bezoek aan de middagdiensten in meerdere gemeenten. Volgens hem is dit een reden tot zorg, omdat het raakt aan de trouw aan Woord en sacrament. Tegelijk wees hij erop dat ware volharding uiteindelijk niet rust op menselijke kracht, maar op Christus als de grote Herder van de Kerk.
Vervolgens werden de lastbrieven gecontroleerd en werd vastgesteld dat de vergadering wettig bijeen was. De afgevaardigden van de verschillende deelnemende gemeenten werden genoemd, evenals afgevaardigden van een waarnemende gemeente en afgevaardigden van een gemeente die zich als gast had opgegeven. Vanuit de commissie naar artikel 49 van de kerkorde die door de Algemene Vergadering is ingesteld, waren drie adviseurs aanwezig. Ook benoemde de tijdelijke preses dat twee gemeenten hadden laten weten zich wel verbonden te voelen met de gemeenten binnen de classis-in-opbouw, maar deze vergadering formeel niet konden erkennen als wettig. Ze wilden wel geïnformeerd blijven.
De roepende kerk droeg daarna de leiding van de vergadering over aan het moderamen dat gevormd werd door ds. W.L. van der Staaij, preses; ds. A.J.T. Ruis, assessor en ds. W.J. van Gent, scriba.
Tijdens de uitgebreide bespreking van de verslagen naar artikel 41 van de kerkorde kwamen uiteenlopende onderwerpen aan de orde. Verschillende gemeenten meldden positieve ontwikkelingen, zoals een toenemend aantal jongeren dat openbare geloofsbelijdenis wilde afleggen, nieuwe betrokkenheid van gemeenteleden en missionaire contacten. Tegelijk waren er zorgen over afnemende kerkgang in de middagdiensten, predikantsvacatures, financiële beperkingen en de kerkelijke spanningen binnen het bredere CGK-verband. Vooral het teruglopende bezoek aan de middagdiensten bleek een breed herkenbaar probleem. Ook werd gesproken over pastorale zorg voor leden die zich vervreemden van de kerk en over de vraag hoe hierin zorgvuldig met tucht en uitschrijving moet worden omgegaan.
Een belangrijk moment vormde het afscheid van ds. Van der Staaij vanwege zijn vertrek naar Kerkwerve. Onder leiding van de assessor stelde de classis-in-opbouw een attest vast en sprak de assessor namens de vergadering zijn dankbaarheid uit voor de inzet van ds. Van der Staaij in gemeenten ’s-Gravenhage-Scheveningen en Nieuwkoop, maar ook binnen de classis ’s-Gravenhage en de classis-in-opbouw West.
De vergadering stelde vervolgens diverse praktische regelingen vast, zoals consulentschappen, kerkvisitaties, examinatoren en de organisatie van toekomstige vergaderingen. De preses sprak aan het einde van de vergadering zijn dankbaarheid uit over de broederlijke en opbouwende sfeer tijdens de vergadering. De assessor sloot de vergadering met gebed.
W.J. van Gent, scriba