Ga direct naar hoofdinhoud
Achtergrond / Hoofdstuk 2

Waar het vastliep

Het kerkverband functioneert niet meer. De kern van het probleem is dat een groot aantal plaatselijke gemeenten zich niet houdt aan gezamenlijke besluiten die rond een open Bijbel genomen zijn door meerdere vergaderingen als de classis en de synode. Als kerken wezenlijk anders omgaan met de Bijbel en gezamenlijke besluiten dan valt het onderlinge vertrouwen weg. De gemeenten kunnen elkaar dan niet meer aanspreken op genomen besluiten.

De ontwikkelingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken laten een kerkverband zien dat steeds moeilijker functioneert als samenhangend geheel. De gemeenschappelijke basis bestond uit de Bijbel, de gereformeerde belijdenis en duidelijke kerkelijke afspraken uit de kerkorde. Deze gezamenlijke basis is in de afgelopen jaren onder druk komen te staan door groeiende interne verschillen. Deze verschillen kwamen vooral aan het licht rond thema’s als kerkorde, vrouw in het ambt en Schriftgezag, maar raakten uiteindelijk de kern van het samen kerk-zijn.

In de aanloop naar de synode van 2019-2022 bevestigden diverse gemeenten vrouwen als ambtsdrager. In 2022 oordeelde de synode op basis van de Schrift dat er geen ruimte is voor vrouwen in het ambt. Hoewel het een onderwerp is dat door de kerken als principieel is geduid, gaan steeds meer gemeenten over tot het bevestigen van vrouwelijke ambtsdragers. Daarnaast blijken gemeenten ook in toenemende mate andere synodebesluiten naast zich neer te leggen en te kiezen voor een eigen koers. Daarmee breken zij de eenheid van het kerkverband.

Het probleem werd met name zichtbaar op het niveau van de classes en de synode. In theorie vormen deze vergaderingen het hart van het kerkelijke samenleven (naar het gereformeerde kerkrecht): plaatselijke gemeenten zijn zelfstandig, maar verbinden zich aan gezamenlijke afspraken en besluiten. In de praktijk bleek echter dat deze afspraken steeds minder als bindend werden ervaren. Gemeenten gingen eigen keuzes maken die afweken van synodebesluiten, zonder dat daar consequenties aan verbonden werden. Hierdoor ontstond een situatie waarin besluiten wel genomen werden, maar niet meer functioneerden als gemeenschappelijk kader.

De classes, die juist bedoeld zijn om toezicht te houden en gemeenten bij elkaar te houden, kwamen hierdoor klem te zitten. Enerzijds wilden zij trouw blijven aan het kerkverband en de gezamenlijke regels handhaven, anderzijds wilden zij conflicten en scheuringen vermijden. Dit leidde tot besluiteloosheid, halfslachtige maatregelen, gedoogbeleid of zelfs goedkeuring en steun voor het afwijken. Het gevolg was dat spanningen bleven bestaan en zelfs verder opliepen.

Ook de synode, als breedste besluitvormende orgaan, verloor aan gezag. Besluiten werden steeds vaker ter discussie gesteld of simpelweg genegeerd door plaatselijke kerkenraden. Daarmee werd de basis van het kerkverband aangetast: het vertrouwen dat gezamenlijke besluiten ook daadwerkelijk nageleefd worden. Zonder dat vertrouwen verliest een kerkelijk systeem zijn werking en komt ook de rechtszekerheid in het geding.

De kern van het probleem ligt dan ook niet alleen in inhoudelijke verschillen, maar ook in het wegvallen van wederzijds vertrouwen. Het gereformeerde kerkrecht veronderstelt dat gemeenten zich willen binden aan elkaar en bereid zijn om gezamenlijk genomen besluiten te respecteren, ook als die spanning opleveren. Wanneer die bereidheid ontbreekt, ontstaat er feitelijk een losse federatie van gemeenten in plaats van een werkelijk kerkverband. Het kerkverband verandert wezenlijk van een gereformeerd, presbyteriaal-synodaal kerkverband waarin men zich vrijwillig bindt aan de besluiten die door de generale synode genomen zijn, naar een congregationalistisch kerkverband waar de plaatselijke gemeente volledig zelfstandig is en zich niet hoeft te binden aan synodebesluiten.

Zodra gezamenlijke afspraken hun bindende kracht verliezen, raken classes en synode verlamd en is het kerkelijke leven vastgelopen. Dit wordt op den duur onhoudbaar. Uiterlijke eenheid kan alleen blijven bestaan als er ook innerlijke eenheid is in geloof, leer en gehoorzaamheid op grond van het gezaghebbend Woord van God. Anders blijft de vorm bestaan, maar raakt de inhoud uitgehold.