Ga direct naar hoofdinhoud
Achtergrond / Hoofdstuk 3

Wat er is geprobeerd

In de afgelopen jaren zijn er talloze bezwaarschriften ingediend bij kerken en classes die afwijken van de besluiten en zijn op alle niveaus vele uren gesprekken gevoerd om uit de impasse te komen, maar alles zonder blijvend resultaat. In april 2024 vond een landelijk convent plaats. Op de synode van 2024-2025 werden zowel het ‘interimmodel’ als de ‘houtskoolschets’ gepresenteerd. Na bespreking strandden beide pogingen.

In de aanloop naar de synode van 2024-2025 werd de commissie ‘kerk-zijn’ ingesteld om classes bij te staan bij het gesprek over het rapport ‘kerk-zijn’. Zij kwamen tot de conclusie dat het kerkverband was vastgelopen. Samen met deputaten Vertegenwoordiging werd besloten een convent te beleggen. Op het convent werden vragen rond ‘vrouw en ambt’ en de binding aan besluiten van meerdere vergaderingen breder getrokken naar het thema ‘de toekomst van het kerkverband’. Vier denkrichtingen werden er voorgelegd. Denkrichting A: het huidige kerkstelsel handhaven, B: het huidige kerkstelsel aanpassen, C: gezamenlijk overgaan naar een ander kerkverband en D: het kerkverband ontvlechten. Een overgrote meerderheid van de kerken koos voor denkrichting A als eerste optie, maar over de invulling daarvan liepen de gedachten wijd uiteen. Een deel zag optie D in beeld komen als optie A niet meer zou lukken. Vanuit het convent werd een oproep gedaan aan de komende synode om een uitweg uit de impasse te zoeken.

Op de synode van 2024-2025 werd de commissie ‘Toekomst Kerkverband’ ingesteld die de synode moest helpen de vraag te beantwoorden hoe er moest worden omgegaan met kerken die afwijken van besluiten van meerdere vergaderingen. Deze besluiten zijn naar art. 31 van de kerkorde voor alle kerken ‘vast en bondig’. De commissie presenteerde het ‘interimmodel’. Dit model stelde een classicale herindeling voor, waarbij kerken die afwijken van synodebesluiten samen worden gevoegd. Het model stuitte op zowel principiële als praktische bezwaren. Kerken die afwijken van synodebesluiten zeiden daar niet meer van terug te zullen keren. Deze gemeenten wilden tegelijkertijd – naar eigen zeggen – wel een volwaardige plaats in het kerkverband behouden en niet op een “strafbankje” zitten. Daarnaast werd door anderen juist naar voren gebracht dat gemeenten niet zouden kunnen accepteren dat zonde en dwaling toch in de kerk zou kunnen voortbestaan en dat zij daar medeverantwoordelijkheid voor zouden dragen. Dit model kreeg onvoldoende draagvlak tijdens de synode en strandde.

Het moderamen van de synode presenteerde vervolgens de ‘houtkoolschets’. Hierin stonden enkele grondlijnen voor de toekomst van ons kerkverband, die verder uitgewerkt zouden moeten worden. Het voorstel was om een A/B-model in te stellen, waarbij er een federatief kerkelijk samenleven zou zijn. Daarbij werd de hoop uitgesproken dat de kerken opnieuw naar elkaar zouden toegroeien. Na lang spreken over dit model kreeg het voorstel niet de 80 procent benodigde stemmen. Oorzaken hiervan waren dat het A/B-model door sommigen werd ervaren als het scheuren van het lichaam van Christus en het besef dat tot een dergelijke grote ingreep in het kerkelijke samenleven alleen besloten kan worden wanneer er voldoende draagvlak is.

Vervolgens werd de synode onder twee condities gesloten. Het moderamen moest kijken welke besluiten deze synode absoluut moest nemen. Daarnaast werden kerkenraden die afwijken van synodale besluiten opgeroepen terug te keren in de bedding van die besluiten. Omdat er geen kerkenraden aan deze oproep gehoor gaven, werd de synode vroegtijdig gesloten. Ze legde de verantwoordelijkheid bij de plaatselijke kerken terug, in de erkenning dat de synode haar opdracht naar art. 30 van de kerkorde niet heeft kunnen uitvoeren.

Omdat vanwege de volhardende ongehoorzaamheid aan de synodebesluiten de band tussen kerk en generale synode feitelijk al was verbroken, is er ook geen nieuwe roepende kerk aangewezen.